Gisteren toch maar weer een ritje naar de kliniek gemaakt. Mijn oor bleef dicht zitten en ik dacht: als het gaat ontsteken (ik weet niet of dat kan maar wilde het maar niet afwachten) ben ik verder van huis. En binnenkort hoop ik voor de tweede keer naar het Matal gebied te gaan, om extra gegevens te verzamelen, en dan wil ik als het even kan niet door oorpijn geveld zijn of te doof om te horen wat de mensen zeggen. Om de boel soepel te maken had ik de twee voorafgaande nachten een drup olie in mijn oor gegoten. Bijkomend voordeel: geen herriestoppers nodig om door de gebedsoproep van de moskee of het bijbehorende wekgeluidje op de telefoon van mijn buurman heen te slapen.
Toen ik de kliniek binnenging kwam er juist een man naar buiten. Hij droeg iets in zijn armen, iets stijfs, in een doek gewikkeld – een overleden kind? Binnen zag ik een ander kind, slap hangend in de armen van zijn moeder, een kind zoals een kind niet hoort te zijn. Ziekte en gebrek zijn hier vaak minder verhuld, rauwer, afschrikwekkender. Het lijkt meer deel te zijn van het leven. Misschien dat het ook wel meer aanvaard wordt, als een lot dat je onvermijdelijk overkomt, of dat je van hogerhand wordt toebedeeld. Er zijn meer mensen ziek door ziektes die ‘bij ons’ niet of nauwelijks meer voorkomen, of de gevolgen zijn groter door de gebrekkige behandelmogelijkheden. Er zijn hier ook geen instellingen die opvang bieden aan mensen die geestelijk ziek zijn en niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. De man die ik af en toe op straat zie lopen, langzaam, naakt, het haar in plakken, ‘woont’ ergens op de veranda van een schoolgebouw. Niemand lijkt ervan op te kijken als hij langs loopt, verzonken in zijn eigen wereld.
Ook de dood is iets openbaars. Laatst schrok ik ’s avonds op van een een luid, bijna hysterisch gehuil, verderop in de straat. Mijn buurman ging poolshoogte nemen – dat is kennelijk ook de bedoeling: dat alle buurtgenoten het horen en zo hun meeleven kunnen komen betuigen. Er bleek een ongeluk te zijn gebeurd. Bij een botsing tussen brommers in de nacht waren twee van zijn kameraden omgekomen en een derde gewond geraakt. Er wordt snel begraven. De volgende dagen (als ik het goed heb de dag van de begrafenis en de derde en de zevende dag) zijn er rouwbijeenkomsten. Naar één daarvan ging ik met mijn buurman mee. Mannen op matten op de grond, vrouwen ergens achter een schutting; meer matten voor meer bezoekers; pagina’s uit de Koran die mompelend worden gelezen; gebeden die besloten worden met een strijkend gebaar van de vingers over het gezicht en tot slot thee en rijst met vlees voor alle aanwezigen. Als de mensen niet op het erf passen, zitten ze gewoon buiten op straat, op matten langs de muur. ‘In besloten kring’ bestaat niet.
Terug naar de kliniek en mijn oor. Ondanks mijn voorbehandeling met olie had de verpleger er moeite mee de prop eruit te spuiten, maar ten langen leste lukte het gelukkig toch. Niet zo'n appetijtelijk gezicht, maar het geeft wel voldoening om het ding in het oorbadje te zien drijven in plaats van hem in mijn oor te hebben. Voor 300 frank (50 eurocent) was het gepiept. Alles kan weer ongedempt binnen komen.
vrijdag 24 februari 2012
dinsdag 7 februari 2012
Ex-patiënt
Als ik al niet beter was geworden van de gele tabletjes, zou ik het geworden zijn van de digitale beterschapswensen die ik naar aanleiding van mijn vorige bericht kreeg - bedankt! Of anders wel van de stapel kerstgroeten die ik gisteren (!) in mijn postvak aantrof…;-) De sneeuwtafereeltjes komen precies op tijd om toch in ieder geval de gedàchte aan een welkome verkoeling op te roepen, terwijl hier het kwik aan zijn opmars begonnen is. In ieder geval wilde ik de meelevende en misschien zelfs een beetje bezorgde lezer maar niet te lang in het ongewisse laten over het feit dat ik weer op de been ben. Kortom: hier spreekt een blije en dankbare ex-patiënt.
Het leek me goed om meteen maar wat van de dezelfde tabletten aan te schaffen voor als ik weer eens op reis ga. Medicijnen kun je hier zonder recept kopen, dat is prettig. Maar zaterdag was de apotheek gesloten. Toen ging ik maar boodschappen doen. In één van de marktsteegjes stuitte ik op een medicijnverkoper (met tafel vol doosjes, stripjes en anderszins verpakte pilletjes) en daar zag ik dezelfde wondertabletjes staan. ‘Waarom ook niet?’, dacht ik, maar ik keek wel even nadrukkelijk naar de houdbaarheidsdatum en of ze in de originele verpakking zaten. Omdat ik meteen twee kuren nam, ging de verkoper akkoord met een kwantumkorting van 100 franc (15 cent) en zo werd ik voor een goeie medicijnknaak de tevreden bezitter van twee malariakuren.
Misschien dat ik binnenkort toch nog een keer de kliniek van binnen zal moeten bekijken, want ik krijg het idee dat mijn linkeroor aan het verstoppen is. En een taalkundige die niks kan horen is natuurlijk een beetje een sneu geval. Buiten dat ben ik er trouwens toch al kind aan huis (in de kliniek dus), want zoals gezegd werkt mijn Matal taalhelper daar als verpleger. De ene keer werken we op het SIL-kantoor, de andere keer in een ruimte in de kliniek.
Nu hoop ik dat mijn gebit mij voorlopig nog niet in de steek laat, want de dichtstbijzijnde goeie tandarts zit helemaal in Garoua, een paar uur reizen in een hutje-mutje busje hiervandaan. Alleen van het idee zou ik al kiespijn krijgen…
Het leek me goed om meteen maar wat van de dezelfde tabletten aan te schaffen voor als ik weer eens op reis ga. Medicijnen kun je hier zonder recept kopen, dat is prettig. Maar zaterdag was de apotheek gesloten. Toen ging ik maar boodschappen doen. In één van de marktsteegjes stuitte ik op een medicijnverkoper (met tafel vol doosjes, stripjes en anderszins verpakte pilletjes) en daar zag ik dezelfde wondertabletjes staan. ‘Waarom ook niet?’, dacht ik, maar ik keek wel even nadrukkelijk naar de houdbaarheidsdatum en of ze in de originele verpakking zaten. Omdat ik meteen twee kuren nam, ging de verkoper akkoord met een kwantumkorting van 100 franc (15 cent) en zo werd ik voor een goeie medicijnknaak de tevreden bezitter van twee malariakuren.
Misschien dat ik binnenkort toch nog een keer de kliniek van binnen zal moeten bekijken, want ik krijg het idee dat mijn linkeroor aan het verstoppen is. En een taalkundige die niks kan horen is natuurlijk een beetje een sneu geval. Buiten dat ben ik er trouwens toch al kind aan huis (in de kliniek dus), want zoals gezegd werkt mijn Matal taalhelper daar als verpleger. De ene keer werken we op het SIL-kantoor, de andere keer in een ruimte in de kliniek.
Nu hoop ik dat mijn gebit mij voorlopig nog niet in de steek laat, want de dichtstbijzijnde goeie tandarts zit helemaal in Garoua, een paar uur reizen in een hutje-mutje busje hiervandaan. Alleen van het idee zou ik al kiespijn krijgen…
Abonneren op:
Berichten (Atom)